terwijl (last not least) de ernstige, stroeve Tacitus hem in zijne Jaarboeken een zeer kunstig geschiedschrijver noemt.
Het is dus niet te verwonderen dat vooral de taal en stijl van Sallustius in de oudheid ijverig werd bestudeerd en onderzocht; het zij genoeg hier te verwijzen naar den schrijver der Attische Nachten. Aulus Gellius, en naar den geleerden maar stijven en pedanten redenaar Cornelius Fronto[1], die beiden vele plaatsen van onzen historicus hebben behandeld en afgeschreven. Dat ook de geschiedschrijver Vellejus Paterculus zeer veel aan hem ontleend heeft, is reeds door onzen grooten Ruhnkenius aangetoond. Niettegenstaande al deze ontleeningen en navolgingen, tot in de middeleeuwen toe, hebben wij het te betreuren dat van Sallustius' groot geschiedwerk slechts 4 korte redevoeringen, en 2 brieven over zijn; ongetwijfeld echter is die populariteit de oorzaak van het groote aantal handschriften der werken van onzen schrijver.
Een fijn kunstkenner en letterkundige als Doorenbos velt het volgende oordeel over Sallustius[2]): „Beide geschriften, het bellum Catilinarium en het bellum Jugurthinum, vooral het laatste, zijn met zorg bewerkt; men kan zien dat den schrijver daarbij een ideaal van kunst voor oogen zweefde. Kort en scherp drukt hij zich uit; de beelden, die hij ontwerpt, zooals van Cato en Caesar, zijn fijn geteekend. Het bellum Jugurthinum