door gebrek aan vermogen en het bewustzijn van euveldaden, welke beide hij door bovengenoemde middelen tot hoogen graad opgevoerd had. Daarenboven spoorden de bedorven zeden in den staat hem aan, die door zeer slechte en zeer uiteenloopende ondeugden, weelde en hebzucht, geteisterd werd.
Daar de tijdsomstandigheden mij aan de zeden hebben herinnerd, schijnt het voor de hand te liggen de geschiedenis nog eens op te halen, en in weinig woorden de instellingen der voorouders in oorlog en vrede, hoe zij den staat hebben gehad en hoe groot aan ons overgeleverd, hoe deze staat allengs van zeer schoon en goed tot allerslechtst en misdadigst geworden is, uiteen te zetten.
HOOFDSTUK VI.
De stad Rome, naar ik vernomen heb, stichtten en bezaten het eerst Trojanen, die onder Aeneas' leiding voortvluchtig, met onvaste woonplaatsen, rondzwierven, en met hen de Aborigines,[1] een wilde volksstam, zonder wetten en gezag, vrij en losbandig. Nadat dezen op ééne plaats samen gekomen waren, van ongelijken stam, van verschillende taal, niet op dezelfde wijze levend, is het ongelooflijk te vermelden hoe gemakkelijk zij zich hebben verbonden. Doch toen hun staatswezen, vooruitgegaan in burgers, zeden en akkers, genoeg voorspoedig en veelbelovend scheen.
- ↑ Ongeveer: „inboorlingen."