Zoo groeide eerst heerschzucht, vervolgens gelddorst aan; dat was als het ware de bouwstof van al het kwaad. Want hebzucht ondermijnde trouw, braafheid en andere deugden; daarvoor leerde zij trots en wreedheid, godsvérachting en alles veilhebben. De eerzucht dwong vele stervelingen valsch te worden, iets anders besloten in het binnenste, iets anders op de tong te dragen, vriendschap en vijandschap niet naar de zaak zelve maar naar het voordeel te schatten, meer het uiterlijk dan den geest rein te houden. Dit groeide allengs aan en werd soms nog gestraft, maar toen het zedebederf later als eene besmetting indrong, veranderde de staat, het gezag werd, uit rechtvaardig en goed, wreed en onduldbaar.
HOOFDSTUK XI.
In het eerst prikkelde nog meer de eerzucht dan de hebzucht het menschelijk gemoed, welke eerstgenoemde ondeugd evenwel dichter bij deugd stond. Want roem, eer, en gezag wenschen zich goeden en slechten evenzeer; genenmaken gebruik van den waren weg, maar omdat aan dezen deugden ontbreken, werken zij met listen en lagen. Hebzucht sluit dorst naar geld in, wat geen wijze ooit begeerde; deze, als het ware met gif overtogen, verwijft het lichaam en de ziel eens mans, zij is immer oneindig en onverzaadbaar, noch door overvloed, noch door gebrek wordt zij verminderd.