geestdrift bleef er niet minder om: dagelijks agiteerde hij meer, op geschikte plaatsen in Italië liet hij wapens gereed houden, zelf of door tusschenkomst van vrienden nam hij geld op en liet dit naar Faesulae[1] bij een zekeren Manlius brengen, die later het eerst openlijk aan den oorlog deelnam. In dien tijd, zegt men, heeft hij de meeste personen van allerlei slag aangeworven, zelfs eenige vrouwen, die eerst voor ontucht zich groote uitgaven hadden getroost, maar later, toen haar leeftijd wel een beletsel werd voor die broodwinning maar niet voor die weelde, zich diep in schulden hadden gestoken. Catilina geloofde dat hij door middel van dezen de slaven te Rome in oproer kon brengen, waarna hij hare echt genooten tot zijn bondgenooten maken of ze uit den weg ruimen wilde, om ten slotte de stad in brand te steken.
HOOFDSTUK XXV.
Één dezer vrouwen was Sempronia, die dikwijls daden had verricht van mannelijke stoutmoedigheid. Deze dame was van geslacht en van uiterlijk, daarenboven ook wat haar echtgenoot[2] en kinderen betrof, voldoende door het geluk begunstigd; zij kende de Grieksche en de Latijnsche letteren, zij zong bij de cither en danste sierlijker dan eigenlijk wel een eerzame vrouw past, in één woord zij had nog vele andere eigenschappen, die