gelukkigen, behoeftigen, zijn door de hevige wreedheid onzer schuldeischers voor 't grootste gedeelte van ons vaderland beroofd, allen van onzen goeden naam en onze bezittingen. Niemand van ons heeft op voorvaderlijke wijze kunnen gebruik maken van de wettelijke bescher ming, toen wij ons erfgoed hadden verloren, was zelf ons lichaam niet vrij meer: zoo groot was de wreedheid van de woekeraars en van den rechter.[1] Dikwijls zijn uwe voorouders, uit medelijden met het mindere volk te Rome, door allerlei besluiten aan de ellende tegemoet gekomen; nog onlangs is wegens de vele schulden, met toestemming van de geheele partij der aanzienlijken, de rente in plaats van met zilver, met koper betaald. Dikwijls is het volk zelf, hetzij uit heerschzucht, hetzij om den trots der overheidspersonen te fnuiken, gewapend uit de stad getrokken en heeft de patriciërs in den steek gelaten. Wij echter zoeken geen heerschappij, geen rijkdommen, de oorzaken van allen oorlog en strijd onder de stervelingen, maar vrijheid, die geen enkel flink man opgeeft, tenzij met zijn leven. U en den senaat bezweren wij, zorgt toch voor uwe ongelukkige medeburgers, herstelt den steun der wetten, welke een onbillijk rechter ons ontnam, en brengt ons niet in de noodzakelijkheid om te beproeven, hoe wij het best ons eigen bloed kunnen wreken en daarna strijdende kunnen sneven."
- ↑ De wet bepaalde reeds van ouds de hoogte van den rentevoet. Ook konden sedert 326 v. C, de schuldenaars niet meer met hun lijf en goed samen aansprakelijk worden gesteld. Zie de aanteek, in Damsté's uitgave, blz. 22.