gaf zich daarop met de bijlbundels en de andere kenteekenen van het gezag naar Manlius' legerkamp. Zoodra dit te Rome bekend werd, verklaarde de senaat Catilina en Manlius tot staatsvijanden, en bepaalde tevens een termijn, vóór welken de overige saamgezworenen nog zonder straf de wapenen konden neerleggen, behalve zij die tot de doodstraf waren veroordeeld. Bovendien werd besloten dat de consuls een lichting zouden houden. Antonius met een leger zoo spoedig mogelijk Catilina zou vervolgen, en Cicero de stad zou verdedigen.
In dien tijd scheen mij het gezag van het Romeinsche volk uiterst deerniswaardig toe. Terwijl immers van zonsopgang tot zonsondergang alle volken door geweld van wapenen gedwongen daaraan gehoorzaamden, en in de stad zelve rust en rijkdom in overvloed was, twee dingen die bij de stervelingen vóór alles gelden, zijn er toch burgers geweest, die met hardnekkigen geest zich, zelf en den staat ten verderve voerden. Na de twee bovengenoemde senaatsbesluiten, en terwijl er zulk een hoop ontevredenen bijeen was, heeft toch niemand, door de belooningen verlokt, de samenzwering verraden, en evenmin heeft er één het kamp van Catilina in den steek gelaten: zulk een ziekelijke verblinding, als het ware een pest, had de gemoederen van allen aangegrepen.