HOOFDSTUK XXXVII.
En niet alleen zij, die van de samenzwering wisten, waren de verdwaalden, maar in 't algemeen keurde heel de mindere volksklasse, uit zucht naar omwenteling. Catilina's plannen goed. Het schijnt wel dat dit niet anders kon. Want zij die in eene maatschappij niets bezitten, benijden altijd de gegoeden, en verheffen de armen, haten het oude, wenschen het nieuwe, haken naar een ommekeer uit ontevredenheid over hun eigen toestand. Zonder de minste zorg voeden zij zich van rumoer en oproer, want de armoede houdt zich gemakkelijk buiten verlies. En het mindere volk te Rome was om velerlei redenen tot het uiterste gebracht. Vooreerst waren allen, die ergens door misdaad of overmoed befaamd waren geworden, anderen die hun erfgoed door eigen schuld hadden verloren, in 't kort allen, die om welk misdrijf dan ook hun oorspronkelijke woning hadden verlaten, naar Rome als in één grooten vuilnisbak tezamengestroomd. Verder dachten er velen aan Sulla's overwinningen; zij zagen gemeene soldaten tot senatoren bevorderd, anderen zóó verrijkt dat zij als koningen in weelde leefden, en zoodra nu maar eerst de wapenen waren opgevat, spiegelde men zich een dergelijk loon na den zege voor oogen. Eindelijk waren vele jonge mannen, die eerst bij handenarbeid op het land gebrek hadden geleden, aangelokt door openbare en particuliere uitdeelingen, naar Rome gekomen, en dezen trokken het rustige stadsleven boven het vroegere ondankbare werk