vóór; zij en alle anderen leefden als het ware van den slechten toestand. Ook zij, wier ouders tijdens Sulla's zegepraal vogelvrij waren verklaard, wier goederen ontroofd, wier rechten verkort waren, verwachtten met ongeveer dezelfde aandoeningen den uitslag van een burgeroorlog. Wie niet tot de senaatspartij behoorde, wilde nog liever een omwenteling dan eigen achteruitgang. Na vele jaren was dit kwaad alweer in den staat binnengedrongen.
HOOFDSTUK XXXVIII.
Nadat onder het consulaat van Cn. Pompejus en M. Crassus de macht der volkstribunen hersteld was[1], begonnen jonge mannen, wier leeftijd en gemoed nog onstuimig was, als zij de hoogste macht verkregen hadden, het volk op te ruien door den senaat te beschuldigen, en daarna door schenkingen en beloften de menschen nog meer op te hitsen; zóó werden zij zelf beroemd en machtig. Tegen hen streed met alle kracht het grootste gedeelte van den geboorteadel, in schijn voor de macht van den senaat, in werkelijkheid echter voor zijn eigen invloed. Want om in korte woorden de waarheid te zeggen, al degenen die toen ter tijde een rol speelden, streden onder fraaie voorwendsels — b. v. om de volksrechten
- ↑ In het jaar 70 v. C. geschiedde dit door eene door Pompejus voorgedragen wet, die o. a. aan de volkstribunen het recht teruggaf, wetsvoorstellen in te dienen.