Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, De samenzwering van Catilina (vert. Muller, 1893).pdf/54

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Niettegenstaande al deze overwegingen zijn er toch, buiten de samenzwering om, verscheidene personen reeds in het begin naar Catilina overgeloopen. Een van hen was een senatorszoon, A. Fulvius. Zijn vader echter liet hem onderweg terughalen en ter dood brengen[1].




HOOFDSTUK XL.


Terzelfder tijd was Lentulus te Rome bezig om, volgens Catilina's voorschrift, allen die hij wegens hun karakter of wegens hun geldelijken toestand tot een omwenteling geneigd waande, zelf of door middel van anderen op te ruien, en niet alleen burgers, maar menschen van allerlei slag, als zij maar in een burgeroorlog van dienst konden zijn. Zoo gaf hij aan een zekeren P. Umbrenus de opdracht, de gezanten der Allobrogen[2] op te zoeken en hen zoo mogelijk tot deelneming aan den krijg over te halen, daar hij meende dat deze lieden, die, zoowel hun staat als elk afzonderlijk, diep in schulden staken, en omdat de Gallische stam van nature krijgszuchtig was, gemakkelijk tot zulk een onderneming konden worden opgezet. Umbrenus had in Gallië zaken gedreven, en was daardoor bekend met de meeste hoofden

  1. Het recht van den vader, de patria potestas te Rome, veroorloofde dit.
  2. Een volk, woonachtig in het N. gedeelte van Gallia Narbonensis (dat gedeelte hetwelk Romeinsche provincie was), in 121 onderworpen. In de provinciën was de rentevoet onbeperkt, dit verklaart den wanhopigen toestand der Allobrogen.