Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, De samenzwering van Catilina (vert. Muller, 1893).pdf/58

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Terwijl dit klaargemaakt en besloten werd, klaagde Cethegus telkens over de traagheid der deelhebbers, die volgens hem door aarzeling en uitstel van dag tot dag de beste gelegenheden verknoeiden. Bij zulk een proefneming was (meende hij) slechts een daad, geen beraad noodig, als de overigen talmden dan zou hij, wanneer slechts enkelen hielpen, met een aanval op de curie[1] beginnen. Hij was een woest, hartstochtelijk, twistziek man; flink doorzetten gold bij hem boven alles.




HOOFDSTUK XLIV.


Op Cicero's raad houden nu de Allobrogen door bemiddeling van Gabinius een samenkomst met de anderen. Van Lentulus, Cethegus, Statilius en Cassius vorderen zij een schriftelijken eed, om dien verzegeld aan hunne medeburgers over te brengen, onder voorwendsel dat dezen anders niet licht tot zulk een gevaarvolle zaak konden worden overgehaald. Niets kwaads vermoedend geven de overigen zulk een stuk af. Cassius belooft spoedig bij hen te zullen komen, en verlaat even vóór de gezanten de stad. Lentulus stuurt met hen een zekeren T. Volturcius uit Croton mee, opdat de Allobrogen, voordat zij thuis kwamen, met Catilina een verdrag en verbond zouden kunnen sluiten. Zelf geeft hij aan Volturcius een

  1. Het senaatslokaal, bij uitnemendheid de door Tullus Hostilius gebouwde Curia Hostilia. — Het woord is in de beteekenis van opperste hof, kabinet, enz, behouden gebleven.