Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, De samenzwering van Catilina (vert. Muller, 1893).pdf/59

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

brief voor Catilina mee, van ongeveer den navolgenden inhoud:

„Wie ik ben, zult gij hooren van hem dien ik tot u zend. Denk er aan, in welk ongeluk gij u bevindt, en herinner u dat gij een man zijt; overleg wat uw toestand gebiedt; zoek hulp bij iedereen, zelfs bij de geringsten."

Daarenboven liet hij hem mondeling zeggen dat hij, die door den senaat tot staatsvijand verklaard was, om geen enkele reden de hulp van slaven behoefde af te wijzen, dat alles wat hij gelast had in de stad gereed was, en dat hij dus niet dralen moest om Rome te naderen.




HOOFDSTUK XLV.


Terwijl dit geschiedde en de nacht voor het vertrek bepaald was[1], gaf Cicero, die alles van de gezanten gehoord had, aan de praetoren L. Valerius Flaccus en C. Pomptinus den last, op de Mulvische brug als uit een hinderlaag de Allobrogen en hun ganschen stoet te overvallen. Hij legt hun de reden van hun zending bloot, en laat hen overigens vrij om naar omstandigheden te handelen. Zij beiden, mannen van krijgskunde, plaatsen daar in stilte, zooals bevolen was, een bende, en bezetten

  1. Dit was de nacht van den 3en Dec. 691 sedert de stichting van Rome (ab urbe condita), d. i. 5 Febr. 62. De Romeinsche kalender, die zeer verward was, is later door toedoen van Caesar in orde gebracht (Juliaansche Kalender, begonnen door aan het jaar 46 v. C, nog 67 dagen toe te voegen, zoodat dit jaar 445 dagen telde).