Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, De samenzwering van Catilina (vert. Muller, 1893).pdf/65

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

aanklacht tegen C. Caesar zou worden ingesteld.[1] Beiden toch waren zeer vijandig tegen hem gestemd. Piso was door hem in een proces wegens afpersingen gewikkeld, naar aanleiding van de onrechtvaardige terechtstelling van een Galliër uit de provincie aan gene zijde van de Po. Catulus haatte hem sedert zijn dingen naar het opperpriesterschap, omdat hij op hoogen leeftijd, na de aanzienlijkste ambten bekleed te hebben, voor denjongen Caesar het onderspit had moeten delven. Ook scheen de beschuldiging zelve juist van pas te komen, omdat Caesar, zoowel door zijn vrijgevigheid in het particuliere, als door zijn schenkingen in het openbare leven, hooge schulden had gemaakt. Toen zij nu den consul Cicero tot zulk een aanklacht niet konden overhalen, gingen zij elk voor zich rond, vertelden allerlei onwaarheden die zij, naar zij zeiden, van Volturcius en de Allobrogen vernomen hadden, en wekten een hevige ontevredenheid tegen Caesar op, zoozeer zelfs dat sommige Romeinsche ridders, die ter bezetting gewapend om den tempel van Concordia stonden, geprikkeld, hetzij door het gevaar, hetzij door een zekere aandrift om hun ijver voor het staatsbehoud in het openbaar te toonen. Caesar, toen hij het senaatsgebouw verliet, met het zwaard bedreigden.



  1. Uit de woorden „valsche aanklacht" blijkt misschien Sallustius' voorliefde voor Caesar, die ook op andere plaatsen en vooral in de volgende hoofdstukken te voorschijn komt. Men gaat echter wellicht te ver als men het geheele werk voor een partijschrift van Sallustius houdt. „Zonder twijfel (zegt Doorenbos) kan men in de geschriften van S, gemakkelijk den vriend van Caesar en den vijand der optimaten herkennen." (Gesch, d, lett. I2, blz. 129).