ben onze voorzaten nooit zoo gehandeld, al hadden zij daartoe de gelegenheid. Zij streefden meer naar hetgeen hunner waardig was, dan naar rechtmatige straf van hun tegenpartij. — Dit zelfde moet voor u gelden, senatoren, opdat niet de misdaad van P. Lentulus en de anderen bij u zwaarder wege dan uw eigen waardigheid, en gij niet meer uwen toorn botviert dan zorgt voor uw goeden naam. Want als men een straf verlangt, hun misdaad waardig, dan keur ik het nieuwe voorstel goed,[1] als echter de grootte der misdaad ieders verbeeldingskracht voorbijstreeft, dan meen ik dat wij gebruik moeten maken van hetgeen de wet ons aan de hand doet. De meesten der vorige sprekers hebben kunstig en welsprekend het lot van den staat beklaagd, zij hebben opgesomd de wreedheid van den oorlog, het lot der overwonnenen, maagden- en kinderroof, zuigelingen aan de armen der ouders ontscheurd, huismoeders ten prooi aan de lusten der overwinnaars, berooving van tempels en heiligdommen, moord en brand, alles vol wapenen, lijken, bloed en rouw. Bij de onsterfelijke goden, waartoe dat alles? Om u tegen de samenzwering op te zetten? Zeker om iemand door woorden te overtuigen, die door een zoo vreeselijke zaak zelve niet overtuigd wordt? Neen — geen enkel sterveling ziet een onrecht, hem zelf aangedaan, over het hoofd; velen hebben dikwerf zulks zwaarder opgevat dan billijk is. Als menschen,
- ↑ Volgens de Sempronische Wet van 123 v. C. was de doodstraf voor een Romeinsch burger afhankelijk van de goedkeuring van het volk. Deze wet wordt vermeld door Cicero in zijne Catilinarische redevoeringen, Plutarchus en anderen.