lijke, afschuwwekkende woonplaats verkrijgen.[1] Zijn voorstel was, hun vermogen verbeurd te verklaren, en hen zelf in de bevoorrechte steden gevangen te houden; waarschijnlijk uit vrees dat zij, te Rome blijvende, ofdoor de andere samenzweerders of door de met geweld opgezette menigte bevrijd zullen worden. Alsof er alleen hier, en niet in geheel Italië doortrapte misdadigers zijn, waarbij komt dat hunne stoutmoedigheid dáár zal toenemen, waar men minder macht heeft om zich tegen hen te verdedigen. Als hij dus van hen gevaar vreest, dan is zijn voorstel nietsbeduidend; als hij daarentegen, waar wij allen vreezen, voor niets beangsť is, dan is mijn bezorgdheid voor mij zelven en voor u des te meer gewettigd. Ja, als gij een besluit neemt over P. Lentulus en de zijnen, weest overtuigd dat gij daarmee ook Catilina's leger en alle samengezworenen vonnist! Hoe strenger gij zijt, des te meer zullen zij den moed laten zinken; als zij zien dat gij toegeeft, dan zal dit hun overmoed stijven Gelooft niet dat onze voorouders door wapengeweld een kleinen staat groot hebben gemaakt. Als dat zoo was zouden wij den grootsten staat hebben, want wij hebben meer burgers en bondgenooten, meer wapens en ruiters dan zij. Het was iets anders, dat hen groot maakte en bij ons ontbreekt: vlijt te huis, rechtvaardigheid daarbuiten, een vrije geest bij alle beraadslagingen, niet toegevende aan misdaad of willekeur. In plaats daarvan hebben wij weelde en hebzucht, rijkdom van particulieren, maar een berooi-
- ↑ Deze voorstelling van het leven na den dood vindt men o.a. bij Plato's Phaedo, 62e Hoofdstuk; een werk, dat Cato te Utica vóór zijn dood gelezen heeft. — Vgl. ook Dante's Inferno.