den vijand slag had geleverd, en zoo boette die dappere jongeling met zijn dood voor zijn onmatige dapperheid —aarzelt gij wat gij doen moet met wreede vadermoorders?[1] Men zegt, hun overige levenswandel is een verzachtende omstandigheid bij dit misdrijf. Ja, spaart de waardigheid van Lentulus, als hij zelf zijn kuischheid, zijn naam, goden en menschen ooit gespaard heeft! Vergeeft Cethegus om zijn jeugd, hem, die reeds voor de tweede maal de wapenen aangordt tegen zijn vaderland! Over Gabinius, Statilius, Caeparius zal ik maar zwijgen, als voor deze mannen ooit iets heilig ware geweest, dan zouden zij niet zóó over onzen staat hebben geoordeeld.
Om kort te gaan, senatoren, als er hier nog plaats was voor een vergissing, dan zou ik er allicht in toestemmen dat de zaak zelve u later tot andere gedachten bracht, aangezien gij toch mijne woorden in den wind slaat. Maar dat kan niet, wij zijn van alle kanten omsingeld.
Catilina zit ons met een leger op de keel, binnen de muren, aan onzen boezem zelf zijn andere vijanden, iets gereedmaken of in 't geheim beraadslagen kan niet meer, des te meer moeten wij ons haasten. Mijn voorstel is dus: Omdat door den misdadigen toeleg van slechte medeburgers de staat in 't uiterste gevaar is gekomen, en dezen door de aangifte van T. Volturcius en de Allobrogische gezanten beticht en overtuigd zijn dat zij moord, brand-
- ↑ T. Manlius Imperiosus Torquatus deed dit in 340 v.C. in den oorlog met de Latijnen. De woorden „in den Gallischen oorlog" berusten wellicht op een misverstand van Sallustius. — Overigens lette men op de meesterlijke wijze waarop Sallustius het echte en degelijke conservatisme te Rome in Cato belichaamt.