zeggen, zóó uitgezogen dat de inwoners meer in vredestijd hebben ondergaan, dan anderen in tijden van oorlog. Ten gevolge hiervan werd hij dan ook later te Rome van afpersingen (repetundarum) aangeklaagd, maar door bemiddeling van Caesar vrijgesproken.
Door die afpersingen rijk geworden, legde hij op den Quirinalischen heuvel een groot park aan, dat zoowel door Tacitus als door andere geschiedschrijvers, Dio Cassius, Vopiscus, Procopius wordt vermeld. Deze buitenplaats was zoo fraai dat zij later in het bezit van verschillende keizers, Nero, Vespasianus, Nerva, Hadrianus, Aurelianus, overging. Ook heeft men terzelfder plaatse bij opgravingen verschillende beroemde standbeelden gevonden, die bij Montfaucon worden vermeld. Nog ten tijde van Alarik bestond het huis van Sallustius, maar toen werd het, naar Procopius meldt, door brand vernield.
Sallustius, die de gescheiden vrouw van Cicero, Terentia, gehuwd had, schijnt na Caesar's dood zich van de staatszaken te hebben teruggetrokken, en zich toen vooral op de geschiedenis toegelegt. De vruchten van deze studiën zijn: de Catilina, de Jugurtha, beiden volledig bewaard, en zijne vijf Geschiedboeken van Rome, waarvan slechts fragmenten over zijn. Hij stierf vier jaar vóór den slag bij Actium, in het jaar 35 v. C.[1]
Het eerste werk van den schrijver was waarschijnlijk de monographie over de samenzwering van Catilina. Daarop liet hij zijn geschrift over den oorlog met Jugurtha volgen. Eerst toen vatte hij het plan op een
- ↑ Vgl. C. Sallustii Crispi Bellum Jugurthinum Met inl, en aanteek, door P. H. Damsté. Leiden, 1892.