wachten uit, en bracht Lentulus naar de gevangenis; de praetoren deden hetzelfde met de overigen. Er is in de gevangenis een gedeelte, het Tullianum genoemd, ongeveer twaalf voet onder den grond gelegen, als men een beetje links af gaat. Deze plaats is van alle kanten door muren omringd, en daarboven bevindt zich een verwulf van steenen bogen, het ziet er leelijk en afschuwelijk uit door verwaarloozing, duisternis en stank. Hierheen werd Lentulus naar beneden gevoerd, en daarop hebben op het gegeven bevel de beulen hem met een strop geworgd. Aldus heeft deze patriciër uit het beroemde Cornelische geslacht, die te Rome het consulaatsgezag bekleed had, een uiteinde gevonden, zijn gedrag en zijn zeden waardig. Op dezelfde wijze zijn Cethegus, Statilius, Gabinius en Caeparius terechtgesteld.
HOOFDSTUK LVI.
Terwijl dit te Rome gebeurt, vormde Catilina uit zijn eigen trawanten en de mannen van Manlius twee legioenen, en vulde ruitercompagnieën met zooveel lieden als beschikbaar waren; wanneer later, hetzij vrijwillig hetzij uit de samenzweerders, anderen zich daarbij voegden, verdeelde hij ze gelijkelijk, en had zóó binnen kort voltallige legioenen, hoewel hij in den beginne niet meer dan tweeduizend man om zich heen had verzameld. Ongeveer het vierde deel van de geheele troep was met krijgswapenen voorzien, de overigen hadden zich gewapend zoo goed als het toevallig ging, metjachtsperen, lansen van riemen