Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, De samenzwering van Catilina (vert. Muller, 1893).pdf/82

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

voorzien, ja zelfs met van voren toegespitste palen. Toen nu Antonius met zijn leger naderde, trok Catilina de bergen over, nu eens brak hij zijn legerkamp op in de richting van de stad, dan weer naar den kant van Gallië, maar hij schonk den vijand nooit gelegenheid tot een gevecht; hij hoopte nog altijd binnen kort een groote legermacht te zullen krijgen, wanneer maar te Rome zijn eedgenooten hun onderneming zouden volbracht hebben. Ondertusschen stuurde hij de slaven terug, die in den beginne zeer talrijk tot hem over waren geloopen, vooreerst omdat hij genoegzaam vertrouwde op de macht der samenzweerders, en voorts omdat het zijn plannen zou schaden als hij den schijn aannam, de zaak van burgers met die van voortvluchtige slaven te vereenzelvigen.




HOOFDSTUK LVII.


Toen nu in 't kamp het bericht kwam dat de samenzwering te Rome verraden was en dat Lentulus, Cethegus en de andere bovenvermelde personen terecht waren gesteld, liepen de meeste lieden weg, die de hoop op plundering of zucht tot oproer alleen tot den oorlog had gedreven. De rest voerde Catilina in groote dagmarschen langs steile bergruggen naar de omstreken van Pistoria[1], met de bedoeling om in 't geheim langs zijwegen naar Gallië aan gene zijde der Alpen den wijk te nemen. Q. Metellus Celer, die met drie legioenen in het Piceen-

  1. Thans Pistoja, in Etrurië, ten N.W. van Florentia, thans Firenze (Florence).