tervleugel stelde hij C. Manlius, van den linker een zekeren Faesulanus[1]; hij zelf ging met zijn vrijgelatenen en pachters[2] dicht bij den adelaar staan, dien (naar men vertelde) C. Marius in den oorlog met de Kimbren in zijn leger gehad had. — In het vijandelijke leger liet C. Antonius, die aan de jicht leed en dus het gevecht niet kon bijwonen, de leiding aan zijn adjudant M. Petrejus over. Deze plaatste voorop de cohorten van oudgedienden, welke ter gelegenheid van den plotseling uitgebroken oorlog gelicht waren, en daarachter als reserve het overige leger. Zelf ging hij te paard rond, sprak ieder bij name aan, wekte ze op en herinnerde hen er aan dat het nu een strijd gold tegen ongewapende struikroovers. Deze krijsman, die meer dan 30 jaren als krijgstribuun of als ruiterbevelhebber, als adjudant of opperbevelhebber, met grooten roem bij de troepen had gestaan, kende voor 't meerendeel allen persoonlijk, evenals hunne krijgsdaden; door die te vermelden spoorde hij ieders moed aan.
HOOFDSTUK LX.
Zoodra alles gereed was, geeft Petrejus zelf het teeken met de trompet, en laat de cohorten langzaam oprukken; hetzelfde doet Catilina's leger. Toen men aan een punt was gekomen, waar de tirail-