steenen en andere werptuigen, die voor de hand lagen, van de daken der huizen; het was onmogelijk het dubbel gevaar te ontgaan, en de dappersten konden geen tegenstand bieden aan zeer zwakke vijanden. Moedigen en zwakken, dapperen en lafhartigen werden ongewroken van kant gemaakt. Te midden van deze gruwelen, onder het woeden der Numidiërs en terwijl de stad overal gesloten was, slaagde, van alle Italianen, alleen de bevelhebber Turpilius er in, zich door de vlucht te redden; of hij dit te danken had aan het medelijden van zijn gast, aan een overeenkomst of aan het toeval, weet ik niet; alleen schijnt, daar hij te midden van zooveel rampen een eerloos leven verkoos boven een onbevlekten naam, zijn handelwijs schandelijk en onteerend.
LXVIII.
Toen Metellus het gebeurde te Vaga vernam, trok hij zich een wijl, door droefheid overmand, in de afzondering terug; toen de toorn zich bij de smart voegde, haastte hij zich met de grootste zorg de geleden beleedigingen te wreken. Het legioen, dat hij in de winterkwartieren bij zich had, en al de Numidische ruiters, die hij bijeen kan brengen, laat hij bij zonsondergang slagvaardig uitrukken, en komt den volgenden dag, ter derder ure in een vlakte aan, door lage heuvels omgeven. Aan de soldaten, reeds uitgeput door den langen marsch, en
íederen dienst weigerend, deelt hij mede, dat de stad