Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/102

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Metellus bevel zich te verdedigen; daar hij er niet in slaagde zich te zuiveren, werd hij veroordeeld, gegeeseld en onthoofd, (hij genoot alleen het Latijnsch burgerrecht).



LXX.

Om dezen tijd begon Bomilcar, op wiens raad Jugurtha de capitulatie had gesloten, die hij later uit vrees verbroken had, bij den koning verdacht en hem zelf verdenkend, op nieuwe aanslagen te zinnen, listen uit te denken om Jugurtha voor goed uit den weg te ruimen, en zich dag en nacht af te pijnen met het maken van plannen: alles beproevend, kiest hij tot deelgenoot in zijn voornemen Nabdalsa, een man van goede geboorte, rijk, bemind en gezien bij zijn landgenooten; hij was gewoon bevel over een deel van het leger te voeren, dat niet onmiddellijk onder den koning stond, en alle zaken te beredderen, die Jugurtha, vermoeid of door gewichtiger zorgen opgehouden, niet kon afdoen. Vandaar zijn vermaardheid en zijn rijkdom. Bomilcar en Nabdalsa bepalen een dag voor den aanslag; het overige zou, naar de omstandigheden het eischten, op het oogenblik zelf worden geschikt. Nabdalsa vertrok naar zijn leger, dat hij volgens bevel te midden der winterkwartieren der Romeinen had geschoven, teneinde te verhinderen, dat de vijand straffeloos de landerijen zou verwoesten. Verschrikt door het geweldige van den beraamden aanslag, verzuimde hij