zich op het bepaalde oogenblik te vertoonen, en zoo werd door zijn angst het plan verijdeld. Bomilcar, die steeds wenschte, dat het ten uitvoer gebracht zou worden, en wien de angst van zijn deelgenoot bekommerde, vreesde dat hij van besluit zou veranderen, en zond hem door vertrouwde personen een brief, waarin hij hem van lauwheid en werkeloosheid beschuldigde; hij riep de goden aan bij welke Nabdalsa gezworen had, en maande hem aan, de belooning die Metellus hem toedacht, niet, door een nieuw verraad, in zijn eigen verderf te keeren. „Jugurtha was toch verloren: de eenige vraag was of hij door zijn hand of door die van Metellus zou te gronde gericht worden; Nabdalsa moest zelf overleggen of hij liever beloond dan onder folteringen ter dood gebracht wilde worden. "
LXXI.
Op het oogenblik dat men den brief aanbracht, lag Nabdalsa door lichaamsoefeningen vermoeid op een rustbed: hij nam kennis van de woorden van Bomilcar en werd eerst door beslommeringen, en daarna, zooals gebeurt, wanneer de geest ingespannen geweest is, door slaap overvallen. In zijn omgeving was een Numidiër, met de leiding zijner zaken belast, op wiens trouw en gehechtheid hij meende zich te kunnen verlaten, en van al zijn ondernemingen, behalve van de laatste, op de hoogte. Deze vernam dat een brief was aangekomen, en