meenend, dat Nabdalsa, naar gewoonte, zijn vlijt ofraad zou behoeven, treedt hij de tent binnen, neemt den brief, dien Nabdalsa zonder nadenken achter zijn hoofd op het kussen gelegd had, leest hem, en vertrekt aanstonds, op de hoogte van het gepland verraad, naar den koning. Nabdalsa kort daarna ontwaakt, vond den brief niet, en vernam wat was voorgevallen: hij poogde eerst den aangever te achterhalen; toen dit mislukte, vervoegde hij zich bij Jugurtha, teneinde zich met hem te verzoenen; hij zeide dat, wat hij zelf had pogen te doen, door de trouweloosheid van zijn cliënt voorkomen was; tranen stortend, bezwoer hij hem, bij hun oude vriendschap, bij de bewijzen van trouw, die hij vroeger gegeven had, niet te gelooven, dat hij zich schuldig zou gemaakt hebben aan zulk een misdaad.
LXXII.
De koning verborg, hierop antwoordend, zijn ware gevoelens, en behield uiterlijk zijn kalmte. Hij had Bomilcar en vele anderen, die hij wist dat kennis hadden gedragen van het complot, onmiddellijk ter dood laten brengen, en daarna zijn toorn onderdrukt. Maar sedert dat oogenblik had Jugurtha nacht noch dag rust; iedere plaats, ieder mensch, ieder uur wantrouwde hij, was voor
zijn landgenooten even bevreesd als voor zijn vijanden, onderzocht alle verblijven, werd door het minste geluid opgeschrikt, sliep dan in deze, dan weder in een andere