Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/110

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

beukt en hun toestand hopeloos zagen, het goud, zilver en verdere zaken van waarde, naar het koninklijk paleis gebracht; daar hadden zij, vol wijn en spijzen, hun schatten, het paleis en zichzelf door het vuur vernietigd, en zoo vrijwillig de straf ondergaan, die zij, eenmaal overwonnen, van den vijand verdiend hadden.



LXXVII.


Op hetzelfde oogenblik dat Thala genomen werd, kwamen gezanten der stad Leptis bij Metellus, die hem verzochten hun een bezetting en een bevelhebber te zenden. Een zekere Hamilcar, een man van goede af komst, van een onrustig karakter, zocht een omwenteling te weeg te brengen; het gezag der magistraten, de wetten, alles was tegenover hem machteloos; nam Metellus niet aanstonds maatregelen, dan zouden zij, bondgenooten der Romeinen, in het grootste gevaar verkeeren. De inwoners van Leptis hadden van het begin van den oorlog met Jugurtha, gezantschappen aan den consul Bestia, later naar Rome gezonden, teneinde vrienden bondgenootschap te verzoeken; dit eenmaal verkregen, waren zij steeds welgezind en getrouw gebleven, en hadden alles wat Bestia, Albinus, en Metellus hun bevolen hadden, vlijtig ten uitvoer gebracht. Zij verkregen dus zonder moeite van den bevelhebber wat zij begeerden. Men zond er vier cohorten Liguriërs heen en C. Annius als bevelhebber.