Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/119

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

dering bijeen, voornemens, zijn aanhangers te vermanen, en tegelijk, naar gewoonte, den adel te hekelen. Hij sprak ongeveer aldus:



LXXXV.


„Ik weet. Quiriten, dat velen zichzelven ongelijk zijn in de wijze waarop zij een kommandement van U vragen, en het, eenmaal verkregen, uitoefenen; als kandidaten zijn zij vlijtig, smeekend, nederig; eenmaal gekozen brengen zij hun tijd door in luiheid en trots. Ik volg andere beginselen: naarmate de geheele Staat meer weegt dan consulaat en praetuur, moet hij met meer zorg worden beheerd dan naar het ambt wordt gestaan. Ik weet welk een verantwoordelijkheid uw weldaad mij oplegt. Tegelijkertijd den krijg voor te bereiden en de schatkist te sparen, tot den krijgsdienst dezelfde personen te nopen, die men niet wil kwetsen, te huis en buiten 's lands in alles te voorzien, — en dat alles te doen te midden van nijd, tegenwerking, factiegeest, dat alles is moeilijker dan men denkt, Quiriten. Bovendien, indien anderen een fout begaan, zijn oude adel, roem der voorouders, macht der bloedverwanten en aangehuwden, talrijke cliënten, aanstonds daar om hen te dekken; al mijn hoop is op mijzelf gevestigd en moet door deugd en onschuld gehandhaafd worden; al het overige is zwak. Ik zie bovendien, Quiriten, dat aller aandacht op mij gevestigd is, dat de goeden en braven mij steunen, omdat mijn dappere daden den Staat ten goede komen; — maar dat