Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/120

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

tevens de adel op een gelegenheid wacht om mij aan te vallen. Reden te meer voor mij alle krachten in te spannen, opdat gij niet in den strik valt, en zij zich bedrogen zien. Van kindsbeen af tot op heden, ben ik zóó geoefend, dat iedere arbeid, ieder gevaar voor mij iets gewoons is. Wat ik vóór uw weldaden voor niets deed, zal ik thans, na uw belooning ontvangen te hebben. Quiriten, niet nalaten. Hun, die ten einde in de ambtenjacht te slagen, zich den schijn van braafheid gaven, valt het zwaar, zich, eenmaal machtig, te matigen; voor mij, die mijn geheele leven niets deed dan wat behoorde, is deugdzaam handelen door gewoonte een tweede natuur geworden. — Gij hebt mij met den oorlog tegen Jugurtha belast; iets wat de adel met leede oogen ziet. Weest zoo goed, en overlegt één oogenblik, of het beter zou zijn dat gij die zending, of een dergelijke, aan iemand opdroegt uit de adellijke kliek, aan een man van oude familie en talrijke kwartieren, maar zonder dienstjaren, met dat gevolg, dat hij te midden van zooveel gewichtige bezigheden van niets afwetend, zich zou agiteeren, het hoofd verliezen, en een man uit het volk kiezen om hem den weg te wijzen. Zoo gebeurt het dikwijls dat de door U benoemde bevelhebber voor zichzelf een ander bevelhebber zoekt. Ik ken er, Quiriten, die, tot consuls gekozen, de vaderlandsche geschiedenis en grieksche werken over krijgskunde gaan lezen, mannen die het paard achter den wagen spannen; in tijdsorde bekleedt men een ambt eerst na de benoeming, maar in werkelijkheid moet men zich door oefening ertoe voorbereid hebben. Vergelijkt nu, Quiriten, met hun trots, mij, soldaat van fortuin. Wat zij van hooren zeggen en door