lectuur weten, heb ik zelf gezien of gedaan; wat zij uit boeken vernamen, heb ik te velde geleerd. Oordeelt nu zelf of daden zwaarder wegen dan woorden. Zij verachten mij als parvenu, ik henlieden als nietsdoeners; men verwijt mij het toeval mijner geboorte, hun, hun ondeugden. Ik geloof dat de grondstof van alle menschen een en dezelfde is, maar houdt den dapperste voor den edelste. Indien men de voorouders van Albinus of Bestia kon afvragen, of zij liever mij dan die personen tot afstammeling wenschten, wat denkt gij dat zij zouden antwoorden anders, dan dat zij de bekwaamste zonen het liefst zouden hebben? Indien zij mij terecht verachten, laten zij dan ook hun eigen voorvaderen verachten, die geen anderen adel hadden dan deugd. Zij benijden mij mijn eerambt; dat zij mij dan ook mijn arbeid, mijn deugd, mijn gevaren benijden, door welke ik zoo hoog klom. Maar lieden, door trots bedorven, handelen, alsof zij de ambten die gij te vergeven hebt, minachten, en zij maken er aanspraak op, alsof zij een onbesproken leven hadden geleid. Zij bedriegen zich, wanneer zij te gelijkertijd twee verschillende doeleinden najagen, het genot van het nietsdoen, en de belooning der deugd. Als zij voor U of in den Senaat het woord voeren, wordt een groot deel van hun rede ingenomen door den lof hunner voorouders, en zij gelooven, dat, door de heldendaden dier mannen in herinnering te brengen, zijzelven roemruchtiger worden. Integendeel: hoe roemrijker het leven der vaderen, des te schandelijker is hunlieder lamlendigheid. Zoo is het inderdaad: de roem der voorouders is als een fakkel voor de nakomelingen;
Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/121
Uiterlijk