niet naar ouder gewoonte[1], en uit de [bezittende] klassen, maar ieder die zich aanbood, voor een groot deel proletariërs. Sommigen verklaarden dit besluit uit het gebrek aan fatsoenlijke recruten, anderen uit de ambitie van den consul, daar deze aan dat soort lieden roem en macht te danken had, en een man die naar gezag streeft, het best gediend wordt door de armste menschen, die zich over hun goederen niet bekommeren, daar zij er geen hebben, en alles wat geld doet verdienen, eerlijk vinden. Marius vertrekt, met een legermacht die ietwat aanzienlijker was, dan het officieel besluit inhield, naar Africa, en komt binnen weinige dagen te Utica aan. Het bevel over het leger werd hem overgedragen door den onderbevelhebber P. Rutilius. Metellus vermeed de ontmoeting met Marius, ten einde geen getuige te zijn van het schouwspel, waarvan de faam alleen hem onduldbaar geweest was.
LXXXVII.
Marius voert de voltallig gemaakte legioenen en hulpbenden in een vruchtbare streek, waar veel buit te behalen viel: alles wat men wegneemt wordt aan de soldaten weggeschonken. Daarna worden vestingen en plaatsen, alle zwak versterkt en zwak bemand, aangevallen, en op verschillende plaatsen verschillende lichte gevechten ge-
- ↑ Volgens de oude militaire instellingen, wees de consul de tot den dienst geschikte mannen aan.