XCI.
Gedurende den marsch had hij iederen dag een ge deelte van het vee aan het leger overgeleverd, met bevel het onder de centurieën en eskadrons gelijkelijk te verdeelen, en gezorgd dat uit de huiden zakken werden
gemaakt: op die wijze voorzag hij in het gebrek aan graan, en liet, hoewel ieder onkundig bleef van het doel, de waterzakken gereedmaken die weldra noodig zouden zijn. Den zesden dag, toen men bij de rivier was aan gekomen, was een groote hoeveelheid zakken gereed. Een licht verdedigd kamp werd opgeworpen; Marius geeft bevel, dat de soldaten hun maal zullen gebruiken en bij zonsondergang uit zullen trekken; zij moesten alle bagage laten liggen en zichzelf en de lastdieren alleen met waterzakken belasten. Toen hij oordeelt, dat het oogenblik gekomen is, verlaat hij het kamp, en houdt eerst halt na den geheelen nacht doorgemarscheerd te hebben. Den volgenden nacht handelt hij evenzoo, komt den derden nacht, lang voor zonsopgang, in een heuvelachtige streek aan, niet meer dan twee mijlen van Capsa verwijderd, en blijft daar, zoo verborgen mogelijk, met al zijn troepen wachten. Zoodra het daglicht aanbrak en de Numidiërs, geen aanval vreezend, in groot aantal zich buiten de stad begeven hadden, laat hij de geheele ruiterij en de snelste voetknechten naar Capsa rennen, en de poorten bezetten. Hij zelf volgde hen stipt op den voet, en liet den soldaten niet toe aanstonds te plunderen. Toen de burgers bemerkten wat er gaande was, dwong alles, — de verwarring, de vreeselijke angst,