Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/143

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

XCIX.


Marius, uit de onhandigheid der vijanden moed put tend, geeft bevel, dat ieder een diep stilzwijgen zal bewaren; hij verbiedt zelfs dat zooals gewoonlijk gedurende de nachtwaak, trompet-signalen worden geblazen. Zoodra de dag aanbrak, op het oogenblik dat de vijanden uitgeput en juist ingeslapen waren, krijgen de schildwachten en de gezamenlijke trompetters der cohorten, troepen en legioenen, bevel, hoorngeschal te doen hooren; de soldaten moeten hun krijgsgeschreeuw aanheffen en uit de poorten snellen. De Mooren en Gaetulen, door het onbekende en vreeselijke geraas plotseling opgewekt, konden noch vluchten, noch de wapenen opnemen, in één woord niets doen en niets voorzien: zoozeer had te midden van het geraas, geschreeuw, terwijl niemand te hulp kwam, en de onzen van alle zijden voortdrongen, door de paniek en de angst, de algemeene schrik de afmetingen van een zinsverbijstering aangenomen. Het geheele leger werd uitéén- en op de vlucht gedreven; wapenen en talrijke veldteekenen werden genomen, het aantal dooden was aanzienlijker dan in al de vorige veldslagen; de slaap en de paniek hadden voor een groot deel de vlucht onmogelijk gemaakt.