de verte geworpen lansen, en doodden de vijandelijke ruiters die in hun handen vielen. Terwijl de ruiterij zóó vecht, valt Bocchus met de voetknechten, die zijn zoon Volux juist had medegebracht en die, onderweg opgehouden, niet bij den vorigen slag tegenwoordig waren geweest, de Romeinsche achterhoede aan. Marius was toen in de voorhoede, daar hij wist dat dáár Jugurtha met een sterke troepenmacht den aanval leidde. Maar de Numidiër, zoodra hij de komst van Bocchus verneemt, voegt zich stil, met eenige weinige volgelingen, bij de infanterie. Daar roept hij in het Latijn — taal die hij te Numantië had leeren spreken — den onzen toe, dat hun strijd nutteloos was, daar Marius, kort te voren, door zijn hand gedood was; tevens toonde hij een bloedig zwaard, dat hij in het gevecht in het bloed van een door hem snel afgemaakten Romeinschen voetknecht, gedoopt had. Onze soldaten worden ontzet, terneder geslagen, meer door het ontzettende der tijding in zich zelf, dan door het vertrouwen dat de verhaler verdiende: de barbaren worden aanstonds stoutmoediger en vallen de van hun stuk gebrachte Romeinen heftiger aan. Een paniek was nabij, toen Sulla, na de tegenover hem geplaatste troepen geslagen te hebben, terugkeert en de Mooren in de flank aanvalt. Bocchus wordt aanstonds tot wijken gebracht. Jugurtha, op het oogenblik dat hij de zijnen steunen en de reeds bijna behaalde overwinning behouden wil, wordt door ruiters omsingeld, zijn makkers worden links en rechts gedood; hij zelf slaagt er in, onder een regen van vijandelijke werpspiessen te ontkomen, en er zich door heen te slaan. Onderwijl drijft
Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/146
Uiterlijk