Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/150

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

beproefd en wier scherpzinnigheid bekend was. Hij geeft hun bevel als gezanten eerst naar Marius en daarna, indien deze het goedkeurt, naar Rome te gaan. Hij geeft hun volle vrijheid om te onderhandelen en hoe dan ook aan den oorlog een einde te maken. Zij vertrekken snel naar de Romeinsche winterkwartieren, maar worden op weg door Gaetulische roovers omsingeld en uitgeplunderd. Bevreesd en in een jammerlijken toestand zoeken zij een toevlucht bij Sulla, dien Marius, naar zijn expeditie vertrekkend, als onderbevelhebber had achtergelaten. Deze behandelt hen niet, zooals zij verdiend hadden, als vijanden op wie geen staat was te maken, maar met zorg en vrijgevigheid. De gezanten krijgen hierdoor den indruk, dat de beschuldiging van hebzucht, die men den Romeinen aanwrijft, valsch is, en dat Sulla, die hen met weldaden overlaadt, hun vriend is. Toen nog was omkooping een velen onbekende zaak, men dacht niet dat iemand vrijgevig was dan uit wezenlijken goeden wil; alle geschenken werden aangemerkt als bewijzen van ware vriendschap. Zij deelen den quaestor de door Bocchus medegegeven instructies mede; zij verzoeken hem, hen bij te staan als beschermer en raadsman; zij weiden in hun rede uit over de hulpmiddelen, goede trouw, macht, van hun koning, en andere zaken, die hun zending bevordelijk konden zijn of welwillendheid doen verwerven. Sulla belooft hen in alles te zullen helpen, en wijst hun aan hoe zij Marius en later den Senaat moeten toespreken; zij blijven aldaar ongeveer veertig dagen wachten.