Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/153

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

CVI.


Volux, naderend, roept den quaestor aan, en zegt hem dat hij door zijn vader Bocchus hun te gemoet en tot beleiding gezonden is. Dien en den volgenden dag gaan zij, zonder vrees, gezamentlijk verder. Toen het kamp opgeslagen en de avond gevallen was, komt plotseling de Moor met een ontsteld gelaat, geheel verschrikt bij Sulla, en zegt hem dat hij van de verspieders vernomen heeft, dat Jugurtha niet ver af is; hij smeekt, bezweert hem, met hem. Volux, midden in den nacht te vluchten. De ander antwoordt, vol moed, dat hij voor den zoo vaak geslagen Numidiër niet bevreesd is, en genoeg vertrouwt op de dapperheid van zijn troepen; zelfs indien zijn ondergang zeker was, zou hij liever blijven dan de soldaten wier bevelhebber hij was, verlaten en door een schandelijke vlucht een leven redden dat toch onzeker was en waaraan ieder oogenblik een eenvoudige ziekte een einde kon maken. Toen Volux hem evenwel den raad gaf nog dien nacht het kamp op te breken, keurt hij die aanwijzing goed, geeft aan de soldaten bevel aanstonds te eten en zich binnen het kamp te houden, zooveel mogelijk vuren aan te steken en gedurende de eerste nachtwaak zwijgend uit te trekken. Na een voor allen vermoeienden nachtelijken marsch was Sulla bezig bij zonsopgang het kamp op te slaan, toen de Moorsche ruiters aankondigden dat Jugurtha ongeveer twee mijlen verder den weg versperde. Zoodra dit bekend werd ontstond in ons leger een geweldige paniek; men geloofde zich verraden door Volux en van hinderlagen