Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/20

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

IX.


Na hem aldus te hebben toegesproken, en hem een brief voor Micipsa te hebben medegegeven, zond hij hem weg. De inhoud van den brief kwam hierop neder: „ Uw Jugurtha blonk in den Numantijnschen oorlog boven allen door dapperheid uit: ik weet dat dit U verheugen zal. Bij ons heeft hij zich door zijne verdiensten zeer bemind gemaakt; wij zullen doen wat wij kunnen, opdat hij evenzoo door den Senaat en het Romeinsche volk geliefd worde. Ik wensch U, als vriend, daarmede geluk. Gij hebt in Jugurtha een man, uwer en zijn grootvader Masinissa waardig." Toen de koning aldus wat hij reeds uit het gerucht vernomen had, door den brief van den veldheer bevestigd zag, veranderde hij, door de dapperheid even als door het aanzien van Jugurtha bewogen, zijn vroeger plan, en beproefde hem door weldaden te winnen: hij nam hem aanstonds aan als zijn zoon, en stelde hem in een testament tot erfgenaam aan, tegelijk met zijn eigen zonen. Eenige jaren later, door ouderdom en ziekte uitgeput en zijn einde voelende naderen, sprak hij Jugurtha toe, in tegenwoordigheid van zijn vrienden en bloedverwanten, van Adherbal en Hiëmpsal: naar men zegt ongeveer in deze woorden:



Χ.


„Gij waart nog een kind. Jugurtha, toen ik U, na den dood van uw vader, zonder vooruitzichten, zonder