XIV.
Beschreven Vaders, mijn vader Micipsa heeft mij op zijn sterfbed op het hart gedrukt, dat ik het Numidische Rijk enkel als een mij toevertrouwd pand beschouwen zou; het eigendom en de soevereiniteit kwamen U alléén toe; ik moest pogen in vrede en oorlog het Romeinsche volk zoo nuttig mogelijk te zijn; U beschouwen als familieleden en verwanten: deed ik dit, dan zou de vriendschap van het Romeinsche volk voor mij meer waard zijn dan legers, rijkdommen, versterkingen. Terwijl ik mij gereed maakte om deze lessen van mijn vader te betrachten, berooft Jugurtha, de slechtste mensch, dien de aarde draagt, zonder zich te storen aan uw oppergezag, mij, kleinzoon van Masinissa, en reeds door mijn geboorte bondgenoot en vriend van het Romeinsche volk, van mijn rijk en van alles wat ik bezit. Wat mij aangaat. Beschreven Vaders, nu ik zoo diep in de ellende verzonken ben, wilde ik liever dat ik aan mijn eigen verdiensten dan aan die mijner voorouders kon herinneren. Vóór alles had ik gewenscht, dat het Romeinsche volk aan mij verplichtingen had, en ik niet genoodzaakt ware mij daarop te beroepen; vervolgens, dat ik, indien ik Uw hulp behoefde, die hulp kon inroepen als iets dat gij mij persoonlijk verschuldigd zijt. Maar de onschuld op zichzelf is machteloos; het hing niet van mij af welk een karakter Jugurtha zou hebben; en ik heb mij dus tot U gewend. Beschreven Vaders, zoodat ik, (toppunt van ellende!) genoodzaakt ben U tot last te strekken, vóór ik U een dienst kon bewijzen. Andere vorsten zijn,