geheel het rijk zijns broeders meester te maken. Hij begint dus den oorlog niet zooals voorheen, met plunderbenden, maar met een geducht bijeen gebracht leger, en streeft openlijk naar de heerschappij over geheel Numidië. Waar hij verscheen, verwoestte hij steden en akkers, behaalde buit, vermeerderde den moed der zijnen en den schrik der vijanden.
XXI.
Adherbal, begrijpend dat het zoover gekomen is, dat hij of zijn rijk moet verlaten, of het gewapender hand verdedigen, brengt, er ten laatste toe gedwongen, een leger op de been, en trekt Jugurtha tegemoet. Niet ver van de zee, bij de stad Cirta, staan beider legers pal, en daar het reeds aan het einde van den dag was, werd geen slag geleverd. Laat in den nacht, maar nog gedurende de duisternis,[1] vallen, op een gegeven sein, de soldaten van Jugurtha in het vijandelijke kamp; hun half slapende of naar de wapenen grijpende vijanden worden op de vlucht gedreven of afgemaakt. Adherbal, met eenige ruiters, vlucht naar Cirta, en indien niet een groot aantal Italiaansche kooplieden de Numidische vervolgers van de muren had teruggedreven, zou één en dezelfde dag het begin en het einde van den krijg der twee koningen gezien hebben. Jugurtha slaat het beleg om de stad, begint haar met katten, evenhoogen en allerlei oorlogstuig aan te vallen, zich zooveel mogelijk
- ↑ Vóór zonsopgang dus.