niet gehoorzaamd had aan de orders der gezanten. Maar de voorstanders van den koning, steeds dezelfde, deden wat zij konden om een dergelijk besluit te doen verwerpen. Zoo werd het publiek belang, zoo als vaak gebeurt, aan private inzichten opgeofferd. Edelen van hoogejaren en die te voren aanzienlijke ambten bekleed hadden, worden evenwel naar Africa afgevaardigd. Onder dezen was M. Scaurus, van wien wij reeds gesproken hebben, oud consul en toen eerste van den Senaat.
De gezanten, ziende dat de zaak de algemeene verontwaardiging gaande maakte, en door de smeekgebeden der Numidiërs bewogen, scheepten zich binnen den tijd van drie dagen in, en, weldra te Utica aangekomen, zenden zij een schrijven aan Jugurtha, om hem aan te manen, zich ten spoedigste naar de (Romeinsche) provincie te begeven, en dat zij door den Senaat naar hem afgevaar digd waren. Toen deze verneemt, dat doorluchtige personen, wier aanzien te Rome hem bekend was, gekomen waren om hem in het uitvoeren van zijn plan te stuiten, werd hij eerst, diep getroffen, door vrees en begeerte her- en derwaarts geslingerd. Hij vreesde den toorn van den Senaat, indien hij aan het bevel der afgezanten niet gehoorzaamde; aan den anderen kant werd zijn ziel, door heerschzucht verblind, er toe gedreven de reeds aange vangen misdaad geheel te volbrengen. Ten slotte behaalde in zijn begeerige ziel de booze raad de overwinning. Na Cirta van alle kanten door aanvalstroepen te hebben omsingeld, poogt hij de stad door een algemeenen aanval te nemen; hopend dat hij er in slagen zou de vijandelijke bezetting te verdeelen, en zoo door geweld of