Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/51

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

Het walgt mij te zeggen, hoezeer gedurende de vijftien laatste jaren, de trots van een gering aantal machtigen met U heeft gespeeld, hoe ellendig, hoe ongewroken uw verdedigers zijn ondergegaan, hoe uw ziel door zwakheid en lafhartigheid verdorven is, zoodat gij zelfs heden, nu uw vijanden voor U bloot staan, niet tegen hen in beweging komt, en thans nog hen vreest voor wie gij een schrikbeeld moest zijn. Ondanks dit alles, heb ik evenwel moeds genoeg den strijd te aanvaarden tegen een machtige factie. Ik zal zien welke partij ik nog kan trekken van de vrijheid, erfdeel mij door mijn vader nagelaten; of ik het vruchteloos of met een resultaat doen zal, is in uw hand, Quiriten. Ik eisch niet van U dat gij, zooals uw voorouders vaak deden, tegen het onrecht dat u geschiedt, gewapend op zult treden; geen wapenen, geen geweldige breuk met de edelen zijn noodig: noodig is dat men zich bediene van hun eigen taktiek om hen te vernietigen. Na den moord van Tiberius Gracchus, dien zij beschuldigden naar tirannie te streven, zijn tegen de volkspartij gerechtelijke vervolgingen ingesteld; na den moord van Caius Gracchus zijn verschillende personen uit het volk in de gevangenis omgebracht; het was niet het wettig gezag, maar hun willekeur, die aan beide vervolgingen een einde maakte. Het zij zoo! Het was streven naar tirannie, het volk zijn rechten terug te geven; wat niet gewroken kan worden, zonder dat burgerbloed vergoten wordt, zij rechtvaardig geschied! Eenige jaren lang hebt gij met stille verontwaardiging de schatkist zien plunderen, koningen en vrije volken aan een handvol edelen schatting betalen, dezelfde