mannen de grootste eerambten bekleeden en kolossale rijkdommen vergaderen; maar alle deze misdrijven ongestraft gepleegd te hebben, schijnt hun iets nietigs: zoo zijn dan ten laatste de wetten, uw gezag, alle goddelijke en menschelijke zaken, aan den vijand overgeleverd. En zij die dit deden, gevoelen geen schaamte of berouw, maar vertoonen zich vol glorie voor uw aan gezicht, hun priesterschappen en consulaten, sommigen zelfs hun triomfen ten toon stellend, alsof dat alles eereteekenen waren, en geen roof. Voor geld gekochte slaven verdragen het onrechtvaardig gezag van hun meester niet; gij, Quiriten, tot heerschen geboren, verdraagt gij met kalmte de slavernij? — En wie zijn het, die zich van den Staat hebben meester gemaakt? Schavuiten met bebloede handen en een grenzelooze hebzucht, even misdadig als trotsch, voor wie trouw, eer, plicht, al wat eerlijk en oneerlijk is, in één woord, slechts een middel is tot gewin. Een deel van hun heeft volkstribunen van kant gemaakt, anderen hebben onrechtvaardige vervolgingen ingesteld, verscheidenen hunner hebben slachtingen aangericht onder U, mannen des volks; en in dat alles zien zij de oorzaak van hun veiligheid. Wie hunner zich het schandelijkst gedroeg is het meest in zekerheid; schrik bestaat niet meer bij hen, misdadigen, maar bij U, lafhartigen: dezelfde hebzucht, dezelfde haat, dezelfde vrees houdt hen allen bij elkander. Doch wat onder goeden vriendschap heet, is onder kwaden samenspanning. Indien gij evenzoo bezorgd voor de vrijheid waart, als zij door heerschzucht ontvlamd zijn, zou de Staat niet, als thans, geplunderd worden, en uwe weldaden
Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/52
Uiterlijk