en verzekert, dat hij voor zoover hij kan, de goede trouw van het volk ongerept zal handhaven. Zoodra de menigte zweeg, werd Jugurtha voorgebracht: Memmius neemt het woord, brengt de misdrijven in herinnering door den vorst te Rome en in Numidië gepleegd, wijst aan hoe hij zich tegen zijn adoptief- vader en- broeders vergrepen heeft. „ Ofschoon het Romeinsche volk wist met wier hulp, wier medeplichtigheid hij dat alles ten uitvoer bracht, wilde het nog zekerder bewijzen van hem zelf verkrijgen. Zeide hij de waarheid, dan zou hij veel kunnen verwachten van de goede trouw en de vergiffenis des Romeinschen volks; zweeg hij, dan zou hij zijn mede plichtigen niet redden, maar zich zelf en zijn vooruitzichten verderven."
XXXIV.
Memmius had zijn rede geëindigd, en Jugurtha bevel gekregen om te antwoorden, toen de volkstribuun C. Baebius, die, zooals wij boven zeiden, was omgekocht, den koning het zwijgen opleide. Ofschoon de menigte in de vergadering, heftig opgewonden, door geschreeuw, gebaren, soms door aanvallen, en alle uitingen van woede, hem van zijn stuk bracht, overwon ten laatste de onbe schaamdheid. Het volk, aldus voor den gek gehouden, verliet de vergadering; Jugurtha, Bestia en de overigen,