Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/58

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

wien door het voorgesteld onderzoek schrik was aange jaagd, vatten weder moed.



XXXV.


Er was toen te Rome een Numidiër, genaamd Massiva, zoon van Gulussa en kleinzoon van Masinissa, die tegenstander van Jugurtha in den onderlingen oorlog der koningen geweest en na de overgave van Cirta en het ombrengen van Adherbal, zijn vaderland ontvlucht was. Sp. Albinus, die het jaar na Bestia met Q. Minucius Rufus consul was, haalt dezen persoon over het Numidische rijk bij den Senaat voor zichzelf te vragen, als afstammeling van Masinissa en daar Jugurtha zich door de haat en de vrees, die de gevolgen zijn van zijn misdaden, onmogelijk heeft gemaakt. De oorlogzuchtige consul wilde liever alles in beweging brengen, dan alles slepende zien. Hij zelf had als kommandement Numidië, Minucius Macedonië verkregen. Terwijl Massiva hier over begon te onderhandelen, gaf Jugurtha, die zich slechts weinig op zijn aanhangers verlaten kon, (daar de een door zijn geweten, de ander door vrees voor een slechten naam en door angst werd teruggehouden), orders aan Bomilcar, zijn besten en trouwsten vriend: voor geld, zooals hij reeds dikwijls had gedaan, moest hij zeer in het geheim lieden aanwerven, die Massiva in een hinderlaag zouden lokken; slaagde dit niet, dan moest hij, door welk mid-