Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/70

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

die zijn broeder Aulus en het leger getroffen had, als verlamd, had besloten het Romeinsche gebied niet te verlaten; zoolang hij gedurende het zomersaisoen bewind voerde, had hij de soldaten in een onbewegelijk kamp bijeengehouden, behalve wanneer de stank of het gebrek aan fourage hem dwongen, zijn kamp elders op te slaan. Maar men wierp geen versterkingen op; men zette geen schildwachten uit, zoo als de militaire zeden dit verlangen; de soldaten verwijderden zich uit de gelederen, naar welgevallen. Trosknechten en soldaten onderéén zwierven nacht en dag rond, verwoestten, bij hoopen verspreid, de akkers, plunderden landhoeven; voerden, als in wedijver, vee en slaven weg, ruilden ze in bij kooplieden tegen aangebrachten wijn, en dergelijke artikelen; verkochten het graan dat hun door den Staat verschaft werd, en kochten brood voor iederen dag; alle schandalen van luiheid en wellust, die men kan beschrijven en zich voorstellen, hadden plaats in het leger — en dergelijke meer.



XLV.


Het blijkt dat Metellus zich te midden van deze moeilijkheden, niet minder dan tegenover den vijand, als een groot en wijs man gedroeg: hij slaagde erin het juiste midden te bewaren tusschen jacht naar populariteit en strengheid. Eerst sneed hij het lui leven den wortel af door het verbod in het kamp brood of andere gekookte