Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/74

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

XLVIII.


Jugurtha vergeleek Metellus' woorden met diens daden, en begreep dat zijn eigen kunstgrepen tegen hem gekeerd werden (men bracht hem vredelievende woorden over, maar nam geweldige oorlogsmaatregelen; men ontnam hem zijn gewichtigste stad; het terrein werd door den vijand verkend, zijn eigen landgenooten tot afval overgehaald); door de noodzakelijkheid gedwongen, besloot hij het uit te vechten. Hij laat den marsch des vijands nagaan; de gesteldheid des bodems geeft hem hoop op overwinning; hij brengt zooveel troepen bijeen als mogelijk is en trekt Metellus' leger langs geheime paden te gemoet. In het deel van Numidië, dat Adherbal na de rijksverdeeling bezeten had, was een rivier die van het zuiden afvloeide. Muthul genaamd. Op een afstand van twintig duizend pas liep een bergketen, evenwijdig aan de rivier, woest en onbewoond. Uit het midden van dit gebergte verhief zich zeer ver naar voren een heuvel begroeid met wilde olijfboomen, myrten, en dergelijke gewassen, die in een droog en zandig terrein gedijen. De vlakte zelf was door het gebrek aan water dor, behalve de oevers der rivier: daar groeiden heesters en werden vee en landbouwers gevonden.



XLIX.

Op den heuvel die zich, zooals wij zeiden, dwars naar de rivier uitstrekte, nam Jugurtha plaats, zijn troepen