de vlakte opgesteld. Terwijl de onderbevelhebber van Metellus zich haast de rivier, volgens het gegeven bevel, te bereiken, schaart Bomilcar kalm zijn leger in slagorde, en houdt niet op de bewegingen van den vijand overal na te gaan. Hij verneemt dat Rutilius zijn kamp heeft opgeslagen en niets kwaads vermoedt; tegelijk bereikte hem het geschreeuw der strijdenden in het leger van Jugurtha; hij vreest dat de onderbevelhebber, op de hoogte gesteld der gebeurtenissen, zijn aangevallen landgenooten zou bijstaan, en breidt dus de slagorde, die hij, den moed der soldaten wantrouwend, compact had opgesteld, ten einde het optrekken van den vijand te hinderen, thans verder uit, en marscheert aldus tegen het kamp van Rutilius.
LIII.
Plotseling zien de Romeinen een groote stofwolk op stijgen (de struiken die het terrein bedekten belemmerden het gezicht [op de troepen zelf].) Eerst denken zij aan een stofwolk door den wind in beweging gebracht; later zien zij dat de wolk steeds van gelijken vorm is en meer en meer nabij komt, naarmate het vijandelijk leger meer nadert; zij begrijpen wat de zaak beteekent, nemen spoedig de wapenen op, en plaatsen zich, volgens ontvangen orders, vóór het kamp. Nauwlijks zijn de twee legers bij elkander gekomen, of van beide zijden wordt men met groot geschreeuw handgemeen. De Numidiërs houden