heid om een aanval te doen; verdierf, daar waar hij hoorde dat de vijand komen zou, het gras en de waterbronnen, die trouwens reeds zeldzaam waren; toonde zich dan eens aan Metellus, dan weder aan Marius, schermutselde met de achterhoede en trok dan weder in de heuvels terug; bedreigde dan den een, dan den ander, leverde geen slag en liet geen rust, hield den vijand van de uitvoering van zijn plannen terug.
LVI.
De Romeinsche veldheer, die zag dat hij door krijgslisten wordt bezig gehouden, en de vijand hem geen
gelegenheid geeft slag te leveren, besloot Zama te belegeren, een voorname stad en bolwerk van het gedeelte
van het land waar zij gelegen was; hij verwachtte dat Jugurtha, zooals zijn toestand het medebracht, zijn bedrangde partijgenooten zou pogen te ontzetten en dat er een slag geleverd zou worden. Maar Jugurtha was door de overloopers op de hoogte van de plannen van zijn vijand, en kwam door geforceerde marschen Metellus vóór. Hij moedigt de stedelingen aan hun wallen te verdedigen, en laat een hulpbende van Romeinsche deserteurs in de stad, het meest betrouwbare gedeelte van 's konings leger, omdat een nieuw verraad hun onmoge lijk was; hij belooft bovendien intijds zelf met een leger te hulp te zullen komen. Na deze schikkingen trekt hij zich terug in een zeer verborgen hinderlaag en komt