zich ieder mede moeten bezig houden: op een gegeven sein wordt van alle punten een geweldig geschreeuw aangeheven, zonder dat de Numidiërs er door in verwarring worden gebracht: tegelijk gespannen en uittartend staan zij zonder paniek pal, en het gevecht begint. De Romeinen vechten, ieder naar zijn aard, sommigen werpen uit de verte met kogels en steenen, anderen naderen en ondergraven of beklimmen den muur, willen handgemeen worden. De belegerden werpen steenen op de meest nabijzijnde aanvallers, slingeren palen, schichten, daarnevens een mengsel van pek, zwavel en hars, alles in brand gestoken, naar beneden. De Romeinsche soldaten, die zich ver van de muren hielden, werden door hun vrees achtigheid niet eens beschermd, velen werden door de uit werktuigen of uit de hand geworpen spiessen getroffen, zoodat dapperen en lafhartigen aan dezelfde gevaren bloot stonden, hoewel zij niet denzelfden roem behaalden.
LVIII.
Terwijl aldus vóór Zama gevochten wordt, valt Jugurtha het kamp des vijands met een groote macht aan, en slaagt er in, daar de wacht zorgeloos en op alles eerder dan een gevecht voorbereid was, door de poort naar binnen te dringen. De onzen, door een plotselingen schrik getroffen, zorgen ieder op zijn manier voor zichzelf. Sommigen nemen de vlucht, anderen grijpen naar de wapenen, velen worden gewond of gedood. In de