geheele bezetting waren er slechts veertig die, gedachtig aan den Romeinschen naam, zich aaneensloten en een eenigszins hooggelegen punt bezetten, waar men hen met het grootste geweld niet uit kon verjagen; zij wierpen de schichten, die men hun toeslingerde, terug, en daar zij in zoo gering aantal, door veel vijanden omgeven waren, troffen zij haast bij iederen worp; kwamen de Numidiërs dichterbij, dan blonk de dapperheid dier kleine schaar uit, en werden de vijanden onverbiddelijk neergesabeld, in verwarring gebracht of op de vlucht geslagen. Metellus onderwijl, terwijl hij zich dapper weerde, vernam geschreeuw des vijands in zijn rug; hij keert zijn paard rechtsom en bemerkt dat men naar hem toe vlucht, bewijs dat de vluchtelingen landgenooten zijn. Hij zendt snel de geheele ruiterij naar het kamp, en dadelijk daarna C. Marius met de cohorten der bondgenooten; hij bezweert hem met tranen onder aanroeping van vriendschap, van het algemeene welzijn, geen schandvlek te laten kleven op den roem van het overwinnende leger, niet te dulden, dat de vijand ongedeerd vertrekke. Marius voert dit bevel spoedig uit. Jugurtha, door de versterkingen-zelf van het kamp belemmerd (sommige zijner soldaten vielen van de wallen naar beneden, anderen waren in hun haast, door het gebrek aan ruimte, zichzelf tot last) trekt zich, na groote verliezen geleden te hebben, in een sterke positie terug. Metellus keert, zonder zijn doel, [de inname van Zama,] bereikt te hebben, met het leger in het kamp terug.
Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/88
Uiterlijk