energie de hem toevertrouwde stelling; ieder soldaat vocht voor zichzelf, zonder op hulp van zijn kameraad te rekenen; de belegerden evenzoo. Ieder punt werd even hardnekkig aangevallen als verdedigd; men dacht er van weerszijden meer aan, den vijand te kwetsen, dan zichzelf te verdedigen; een luid geschreeuw, mengsel van bemoedigende uitroepen, vreugdekreten, angstgeschrei, steeg ten hemel, tegelijk met het wapengekletter; van beide zijden vlogen de werpspiessen. Maar de verdedigers der vesting richtten, zoodra de heftigheid van den aanval een weinig verminderde, al hun aandacht op het ruitergevecht. Naarmate de kansen voor Jugurtha gunstiger of ongunstiger waren, gaven zij blijken van vreugde of van angst; konden zij door de hunnen gehoord of gezien worden, dan waarschuwden zij hen, moedigden hen aan, gaven teekenen met de handen, en namen de houding aan van soldaten die een werpspies slingeren of ontwijken. Toen Marius dit bemerkte — hij kommandeerde daar — ging hij opzettelijk langzaam te werk en hield zich alsof hij den uitslag van het gevecht wantrouwde; — hij gaf den Numidiërs alle gelegenheid, aan het gevecht van den koning ongestoord hun aandacht te schenken. Terwijl de belegerden enkel oog hebben voor den strijd hunner landge nooten, valt hij met een groote troepenmacht de muren aan. De soldaten beklimmen de stormladders en hadden reeds bijna de hoogte van den wal bereikt, toen plotseling de belegerden te hoop loopen, steenen, vuur en werptuigen op de aanvallers werpen. De onzen staan eerst pal, maar weldra, nadat sommige stormladders
Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/90
Uiterlijk