Bomilcar hem [Metellus] ten einde een mondelinge conferentie met hem te hebben, in het geheim bezoekt. Metellus belooft onder eede, dat indien Bomilcar hem Jugurtha levend of dood overleverde, de Senaat hem straffeloosheid waarborgen en zijn goederen hem terug zou geven; hij wint den Numidiër des te gemakkelijker, daar deze een trouweloos karakter had, en vreesde, dat indien de vrede met de Romeinen gesloten werd, zijn uitlevering en ter-dood-brenging één der voorwaarden zou uitmaken.
LXII.
Zoodra een gelegenheid zich voordeed, vervoegde Bomilcar zich bij Jugurtha, op dat oogenblik bezorgd en over zijn ongeluk klagend. Hij raadt hem aan, bezweert hem met tranen in de oogen, aan zich zelf, aan zijn kinderen, aan het volk van Numidië, dat zich zoo verdienstelijk heeft gemaakt, te denken; zij waren in alle veldslagen overwonnen, de velden verwoest, een groot deel der bevolking gevangen of gedood, de hulpmiddelen van het Rijk uitgeput; al lang genoeg had men de dapperheid der soldaten en de fortuin op proef gesteld; hij moest bedenken, dat, zoo hij aarzelde, de Numidiërs voor zich zelf zouden zorgen. Door deze en dergelijke rede neeringen haalt hij den koning over tot capitulatie. Gezanten werden aan den [Romeinschen] bevelhebber ge zonden, die aankondigen dat Jugurtha de gegeven orders