Naar inhoud springen

Pagina:Sallustius, Jugurtha (vert. Busken Huet, 1894).pdf/94

Uit Wikisource
Deze pagina is proefgelezen

LXIII.


Te dier tijd bevond zich C. Marius te Utica; eens dat hij aan de goden offerde, verkondigde een waarzegger hem dat de teekenen hem een groote en wonderlijke toekomst voorspelden; hij moest dus, op de goden steunend, de plannen die hij in zijn ziel met zich omdroeg, ten uitvoer brengen, de fortuin zoo vaak als mogelijk beproeven; alles zou hem gelukken. Reeds vroeger had een hevige ambitie, consul te worden, hem gekweld, hiertoe bezat hij alle vereischten, behalve de oudheid van zijn geslacht: ijver, eerlijkheid, krijgskunst, een karakter geweldig in den oorlog, gematigd in vredestijd, boven wellust en rijkdom verheven, alleen dorstend naar roem. Hij was geboren te Arpinum, waar hij als knaap werd opgevoed; zoodra hij de wapenen kon dragen, nam hij dienst in het leger, zonder dat hij gepoogd had zich de grieksche welsprekendheid of de elegantie der hoofdstad eigen te maken. Aldus in mannelijke oefeningen gevormd, ontwikkelde zijn krachtig karakter zich weldra in al zijn macht. De eerste maal dat hij zich bij het volk kandidaat stelde voor den rang van militair tribuun, was hij in al de secties[1] bekend, ofschoon hij een parvenu was en de meesten zijn aangezicht nimmer aanschouwd hadden. Van dien rang uitgaande, klom hij steeds hooger op, en gedroeg zich, in de betrekkingen die men hem toevertrouwde, zoo uitstekend, dat men

  1. De tribus waarin het volk met het oog op de verkiezingen verdeeld was.